GEÏLLUSTREERDE en BEKNOPTE ILMIHAL

141 als eerst de knieën, daarna de handen en vervolgens het hoofd op de grond. (Bij de sadjda horen het voorhoofd en de neus de hardheid van de grond te voelen.) De vingers en tenen richt men richting de qibla. Bij de sadjda houden de mannen hun ellebogen van hun lichaam en houden ze afstand tussen hun bovenbenen en hun buik. De tenen richten ze naar de qibla toe (Afbeelding 7). De vrouwen houden hun ellebogen geplakt aan hun lichaam en hun bovenbenen aan hun buik. Ze richten hun tenen niet richting de qibla zoals de mannen dat wel doen. Ze laten hun voeten (zoals te zien is in de afbeelding) liggen op de bovenkanten (Afbeelding 8). Bij de sadjda leest men drie keer “Soebh’aana rabbiya-l A’laa”. Daarna staat men op van de sadjda door “Allaahoe Akbar” te zeggen en gaat men op de knieën zitten. Na een poosje gewacht te hebben (net zolang als men “Soebh’aanallaah” kan zeggen) doet men de tweede sadjda door “Allaahoe Akbar” te zeggen. Ook bij deze sadjda zegt men drie keer “Soebh’aana rabbiya-l A’laa”. Daarna staat men op van de tweede sadjda door “Allaahoe Akbar” te zeggen en bindt zijn handen weer vast als voorheen. Men leest weer (zonder “A’oêdzoe”) de Basmala, soera al-Faatih’a en een aansluitende soera of een lange al-Ayah al-Kariema. Daarna doet men net als bij de eerste rak’ah de roekoê’ en sadjda. Na de tweede sadjda van de tweede rak’ah zitten de mannen op hun linkervoet en zetten hun rechtervoet rechtop met de tenen richting de qibla (Afbeelding 9). De vrouwen zitten op hun zitvlak en steken hun beide voeten uit

RkJQdWJsaXNoZXIy NTY0MzU=