GEÏLLUSTREERDE en BEKNOPTE ILMIHAL
140 “Allaahoe Akbar” (Afbeelding 1). De vrouwen heffen hun handen zodanig op dat hun vingers op schouderhoogte komen (Afbeelding 2). Vervolgens leggen de mannen hun rechterhand op hun linkerhand, (maken met hun rechterpink en duim een ring om de linkerpols) en laten het hangen onder hun buik (Afbeelding 3). De vrouwen leggen hun linkerhandmidden op hun borstkas en hun rechterhand op hun linkerhand. De ogen kijken naar de plek van sadjda (Afbeelding 4). Nadat de handen zijn samengevoegd leest men “Soebh’aanaka” en daarna A’oêdzoe, Basmala en soera al-Faatih’a. Aan het eind zegt men “Aamien”. Aansluitend wordt een soera of een al-Ayah al-Kariema die net zo lang is als een korte soera gelezen. Daarna laat men de handen hangen aan de zijkanten en gaat naar de roekoê’ door “Allaahoe Akbar” te zeggen. Bij de roekoê’ leggen de mannen hun handen met gespreide vingers, wijd over de knieën en houden ze hun hoofd in een rechte lijn met hun rug (Afbeelding 5). De vrouwen buigen niet zo laag als de mannen (Afbeelding 6). Bij de roekoê’ leest men minstens drie keer “Soebh’aana rabbiya-l ‘Aziem”. Bij de roekoê’ kijkt men naar de tenen. Men laat het hoofd niet hangen naar beneden, maar houdt het in een rechte positie. Na de roekoê’ staat men “Sami’allaahoe liman h’amidah” zeggend rechtop en nadat men helemaal rechtop staat zegt men “Rabbanaa laka-l H’amd”. Daarna gaat men naar de sadjda door “Allaahoe Akbar” te zeggen. Bij het doen van de sadjda legt men
RkJQdWJsaXNoZXIy NTY0MzU=