GEÏLLUSTREERDE en BEKNOPTE ILMIHAL

130 3- Na soera al-Faatih’a het lezen van een soera of een aantal al-Ayaat al-Kariema die gelijk is aan een korte soera. 4- De qiraa’a (recitatie van soera al-Faatih’a en aansluitende soera) doen bij de eerste twee rak’aat. 5- De twee sadjda achter elkaar doen. 6- Zich houden aan de ta’dieloe-l Arkaan. Dus de onderdelen van de salaat, zoals qiyaam, roekoê’ en sadjda rustig uitvoeren. Bijvoorbeeld na de roekoê’ hoort men helemaal rechtop te staan, en na een poosje (ongeveer de duur dat men “Soebh’aanallaahi-l ‘Aziem” kan zeggen) naar de sadjda gaan. En ook tussen de twee sadjda ongeveer net zolang zitten. 7- Bij het zitten at-Tah’iyyaatoe lezen. 8- Tasliem (begroeting) doen aan het einde van de salaat. 9- Bij de fardh van salaat az-Zoehr en al-Asr de soera al-Faatih’a en aansluitende soera rustig lezen (zodat alleen hij het kan horen). 10- Het openlijk lezen van de imam van soera al- Faatih’a en aansluitende soera bij salaat al-Fadjr, salaat al-Maghrib, salaat al-‘Isjaa, salaat al-Djoemoe’a en salaat al-Eid. 11- Bij salaat met drie of vier rak’aat zitten na de tweede rak’ah. 12- Soera al-Faatih’a lezen vóór de aansluitende soera of al-Ayaat al-Kariema. 13- Sahw sadjda (nederwerpen voor vergetelheid) doen wanneer één van de waadjib van de salaat per ongeluk wordt weggelaten.

RkJQdWJsaXNoZXIy NTY0MzU=