GEÏLLUSTREERDE en BEKNOPTE ILMIHAL
128 َاَللّهُمّ اِيّاكَ نَعْبُدُ وَلَكَ نُصَلّ۪ى وَنَسْجُدُ وَاِلَيْكَ نَسْعٰى وَنَحْفِدُ نَرْجُو رَحْمَتَكَ وَنَخْشٰى عَذَابَك * اِنّ عَذَابَكَ بِالْكُفّارِ مُلْحِقٌ Allaahoemma iyyaaka na’boedoe wa laka noesallie wa nasdjoed * Wa ilayka nas’aa wa nah’fid * Nardjoê rah’mataka wa nakhsjaa ‘adzaabak * Inna ‘adzaabaka bi-l Koeffaari moelh’iq * Roeko ê ’ (Buigen) Het vierde onderdeel van de salaat is roekoê’. Roekoê’ is na de qiraa’a die wordt gedaan (dus de recitatie van soera al-Faatih’a en een aansluitende korte soera) bij de qiyaam, voorover buigen, zodanig dat het hoofd en de rug recht staan. Hierbij legt men zijn handen op de knieën. De mannen leggen hun handen wijd op de knieën en spreiden hierbij de vingers. De vrouwen leggen hun handen op de knieën en voegen hun vingers samen. Bij de roekoê’ kijkt men naar de tenen. Degene die zittend bidt, buigt bij de roekoê’ met het hoofd tot aan hoogte van de knie.
RkJQdWJsaXNoZXIy NTY0MzU=